Belediging voormalig minister via tweet
In een uitspraak van de rechtbank Den Haag wordt heel goed het beoordelingskader weergegeven bij belediging van een voormalig minister (door een politicus) ten opzichte van de vrijheid van meningsuiting. Het gaat om een Tweet met SDG-vlag en nazivlag, met daarboven de tekst ‘De façade en de werkelijkheid.
Beoordelingskader belediging vs vrijheid van meningsuiting
Het in artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting staat aan een strafrechtelijke veroordeling wegens eenvoudige belediging in de zin van artikel 266 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) niet in de weg, als zo’n veroordeling een op grond van artikel 10, tweede lid, EVRM toegelaten – te weten een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe een in een democratische samenleving noodzakelijke – beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt.
De Hoge Raad hanteert in zijn jurisprudentie over artikel 266 Sr een beslissingsschema dat aansluit bij het driestappenplan van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) bij de beoordeling van klachten over schending van de vrijheid van meningsuiting (HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:541.)
Op grond daarvan moet de rechtbank achtereenvolgens de volgende stappen doorlopen:
1. Is de uiting op zichzelf en/of gelet op de context beledigend?;
2 Werd de uiting gedaan in een context die het beledigende karakter daarvan mogelijk wegneemt vanwege het in artikel 10, eerste lid, EVRM verzekerde recht op vrijheid van meningsuiting?;
3 Is de uiting onnodig grievend?
Volgens dit beslissingsschema kunnen uitingen die op zichzelf beledigend zijn dat karakter verliezen als zij zijn gedaan in het kader van het publieke debat. Dit vanuit de gedachte dat de context medebepalend is voor de betekenis die aan een uiting moet worden toegekend. Deze constructie maakt dat een uiting die onder de bescherming van artikel 10 EVRM valt niet als beledigend kan worden aangemerkt en dus niet aan de delictsomschrijving beantwoordt. Het beslissingsschema speelt dus een rol bij de bewijsvraag. (Vgl. de conclusie van advocaat-generaal Knigge van 3 juni 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1479 (onder 4.4)
Stap 1
Een uiting kan als beledigend worden beschouwd wanneer zij de strekking heeft een ander bij het publiek in een ongunstig daglicht te stellen en hem aan te randen in zijn eer en goede naam. Het beledigende karakter van de uiting kan verder worden versterkt door de context waarin de verdachte deze heeft gedaan.
Stap 2
Bij de toetsing aan artikel 10 EVRM heeft de context vooral betrekking op de vraag of een verdachte met de uiting heeft bijgedragen aan een publiek of maatschappelijk debat. Als dat het geval is, dan kunnen volgens vaste jurisprudentie van het EHRM ook uitingen die kwetsen, choqueren of verontrusten bescherming van artikel 10 EVRM genieten. Deze jurisprudentie is door de Hoge Raad in die zin in de zijne verwerkt dat indien een uiting gedaan is in het kader van het publieke debat, door die omstandigheid de strafbaarheid van de uiting kan vervallen.(HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7750). Het publieke debat omvat niet alleen het politieke debat over maatschappelijke vragen binnen de politieke arena, maar ook daarbuiten, zoals op social media.
Stap 3
Bij de beoordeling van de vraag of een uiting onnodig grievend is, dient, indien het gaat om een uiting door een politicus in het kader van het publiek debat – het politieke debat daaronder begrepen – onder ogen te worden gezien het belang dat de betreffende politicus daadwerkelijk in staat moet zijn zaken van algemeen belang aan de orde te stellen, ook als zijn uitingen kunnen kwetsen, choqueren of verontrusten. (EHRM 23 april 1992, nr. 11798/85 (Castells t. Spanje), punt 42; EHRM 27 mei 2001, nr. 26958/95 (Jerusalem t. Oostenrijk), punt 36; EHRM 24 juli 2007, nr. 7333/06 (Lombardo e.a. t. Malta), punt 53.)
Tegelijkertijd draagt een politicus in het publieke debat een verantwoordelijkheid om te voorkomen dat hij uitingen verspreidt die strijdig zijn met de wet en met de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat. Daarbij gaat het niet uitsluitend om uitingen die aanzetten tot haat, geweld of discriminatie maar ook om uitingen die aanzetten tot onverdraagzaamheid.
(EHRM 6 juli 2006, nr. 59405/00 (Erbakan t. Turkije), punt 64; EHRM 16 juli 2009, nr. 15615/07 (Féret t. België), punt 75; EHRM 28 februari 2017, nr. 45416/16 (Le Pen t. France), punt 34.)
De status van politicus heeft dus geen mitigerende werking op zijn verantwoordelijkheid in het publieke debat. (EHRM 16 juli 2009, nr. 15615/07 (Féret t. België), punt 75; EHRM 2 september 2021, nr. 45581/15 (Sanchez t. Frankrijk), punt 89.)
Rechtbank: tweet onnodig grievend
De rechtbank stelt vast dat op de tweet is te zien dat [naam 1] in het bijzijn van [naam 2] een nazivlag hijst. Daarmee roept de tweet een duidelijke verbinding op tussen deze twee toenmalige bewindspersonen en het naziregime van de Tweede Wereldoorlog – een regime dat verantwoordelijk is voor onder meer de moord op ruim zes miljoen Europese Joden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte [naam 1] en [naam 2] aldus bij het publiek in een kwaad daglicht gesteld en hun eer en goede naam aangetast. De tweet is dan ook op zichzelf beledigend.
Het beledigende karakter van de tweet wordt verder versterkt door de context waarin de verdachte deze heeft geplaatst. De verdachte heeft de tweet immers geplaatst nadat er kritische en felle berichten op Twitter waren gezet in reactie op de originele foto – met daarop de vlag van de SDG – van het ministerie van VWS. In deze berichten worden [naam 1] en/of [naam 2] onder meer uitgemaakt voor ‘Nazi 2.0’, ‘WEF-hoer’ en ‘nazirat’. De rechtbank merkt op dat de verdachte uiteraard niet verantwoordelijk is voor deze berichten. Dit laat echter onverlet dat die berichten de context vormen waarin de verdachte de tweet heeft geplaatst en als zodanig een versterkende werking hebben op het beledigende karakter van de tweet.
Ter terechtzitting heeft de verdachte aangegeven dat het nooit zijn bedoeling was om [naam 1] en [naam 2] te beledigen. Het was hem te doen om de SDG. De verdachte wilde met de tweet kritiek uiten op de met de SDG onderschreven beleidsdoelen en deze intentie heeft hij naar eigen zeggen duidelijk gemaakt met de hashtag ‘SDG’s’ na de tekst ‘De façade en de werkelijkheid’. Deze lezing van de verdachte en de bedoeling die hij met de tweet had, doen echter niet af aan voormelde associatie die de tweet duidelijk oproept. De verdachte heeft bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de tweet zo zou worden opgevat dat twee bewindspersonen aanhangers van het naziregime zijn.
De verdachte heeft de tweet geplaatst op zijn openbare Twitteraccount. Dit account gebruikt hij als Kamerlid. De verdachte heeft met zijn bericht naar eigen zeggen willen waarschuwen voor de SDG. Uit de meer dan 3600 reacties – waaronder ook kritische – op de foto waarop [naam 1] en [naam 2] te zien zijn met de vlag van SDG blijkt dat dit een onderwerp is dat leeft in het publieke debat. Zo wordt in een reactie aangegeven dat de vlag van de SDG ‘de nieuwe nazivlag’ is. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de tweet in de context waarin deze is gedaan geen bijdrage aan dat debat kon leveren. Dit betekent dat deze context het beledigende karakter van de tweet kan wegnemen, maar alleen als de tweet niet onnodig grievend is.
De verdachte heeft de tweet geplaatst in zijn hoedanigheid van politicus. Hij heeft er kritiek mee willen uiten op de SDG. In een democratische rechtsstaat is het uiterst belangrijk dat politici dit (kunnen) doen. Tegelijkertijd is het zo dat politici in het publieke debat een verantwoordelijkheid dragen om te voorkomen dat uitingen worden verspreid die aanzetten tot onverdraagzaamheid. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte die verantwoordelijkheid niet heeft genomen. De opgewekte associatie tussen twee bewindslieden en het naziregime – of dit nou de uitdrukkelijke bedoeling was of niet – is niet alleen zonder meer grievend geweest, maar ook onnodig grievend. De verdachte had immers legio andere mogelijkheden om het door hem gewenste debat over SDG te voeren, zonder daarbij [naam 1] en [naam 2] op een dergelijk vergaande wijze te beledigen. De bij de pleitnota van de raadsman gevoegde afbeeldingen zijn daar goede voorbeelden van. Met de tweet heeft de verdachte aangezet tot onverdraagzaamheid jegens beide bewindspersonen.
De rechtbank acht de tweet dan ook onnodig grievend.
De slotsom is dat de rechtbank het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen acht.